441

Dolderse Hille

Den Dolder
Opdrachtgever: 
Seyster Veste
Projectarchitect: 
Geert Driesen
Projectteam: 
Geert Driesen, Elina Dekker, Fenneke Immerzeel, Dirk Pauwels, Liesbeth Vanderstraeten.
i.s.m: 
Saarberg, Van der Scheer & Partners, Haarlem
Periode: 
2006-2009 (ontwerp)
Functies: 
wonen
Programma: 
Nieuwbouw van 3 bouwvolumes met appartementen en parkeren.

Bouwen in en aan een bestaande omgeving - in dit geval de locatie Dolderse Hille te Zeist - vraagt steeds opnieuw om de analyse van de aanwezige karakteristieken, én uiteindelijk om de intelligente ‘zet’ die zowel de huidige kwaliteiten van projectgebied en omgeving versterkt, als er nieuwe kwaliteiten aan toevoegt. 
In deze zin werd, naar analogie met het geometrisch inplantingspatroon van het Vijverhof, de formele positionering van de bouwvolumes ‘aan’ de centrale middenas gestructureerd. Tevens staat het Carré, met zijn collectief, omsloten binnengebied, model voor de bebouwing in de deelgebieden. Aldus willen we de historie en cultuur van deze plek eren. 
De uniforme bebouwingslijn (rooilijn) van de bouwvolumes aan de middenas, doet gestand aan het concept van het Masterplan, Cox Kwartier, Willem Arntsz Hoeve, Den Dolder, namelijk de openbare ruimte te definiëren bij middel van een zorgvuldige positionering van de nieuwe bouwvolumes.

De uitwerking van deze nieuwe bouwvolumes is zo neutraal mogelijk, om de monumenten van de middenas, het directiegebouw, de gehoorzaal, het bedrijfsgebouw en de kapel, het ketelhuis en het carré, recht te doen. Zo is gekozen voor een donkere baksteen, in contrast met de witte en heldere kleur van de monumenten. Tevens is zwart de kleur die het minst ‘aanwezig’ is in deze groene, bosrijke omgeving. Zo is ook gekozen voor de heldere en eenduidige volumes, ‘grote paviljoenen’, verbonden door één noklijn, tevens refererend aan de eenheid van het Vijverhof. 
De bouwvolumes op zich, welke zich binnen de bouwvlekken en zoeklocaties situeren zoals aangegeven in het Masterplan, werden steeds ontwikkeld rond een ‘collectieve’ ruimte, conform het Carré. De gevels van deze centrale ruimte contrasteren met de bakstenen ‘buitenschil’. Deze binnenzone kan als verlengstuk gezien worden van de groene omgeving, en neemt door zijn half verhoogd maaiveld, deel aan het natuurlijk glooiend karakter van het landschap. De hoogte van de half verhoogde maaivelden mag de zichtlijnen niet hinderen, met andere woorden, zit onder de ooghoogtelijn.

Daar waar de natuur conflicteert met de bebouwing in de bouwvlekken, wordt de voorrang gegeven aan de natuur. Aldus ontstaan interessante ‘groene’ hoeken en doorzichten, en worden de gevels gefragmenteerd in kleinere eenheden.