© Niels Donckers
251

VAC

Hasselt
Opdrachtgever: 
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Gebouwen
Projectarchitect: 
bOb Van Reeth, Jan Verrelst
Projectteam: 
Geert Driesen, bOb Van Reeth, Jan Verrelst.
i.s.m: 
Architectenbureau Berben, Architectenatelier Vanmuysen-Mees
Periode: 
1997 (ontwerp), 2000-2005 (uitvoering)
Functies: 
werken
Programma: 
Vlaams Administratief Centrum te Hasselt: 16.437 m² kantoren en publiek toegankelijke dienstverlening en 8.354 m² ondergrondse parkeergarage.

In 1995 stelde toenmalig Vlaams minister Wivina De Meester de voorbeeldrol van de overheid voorop in het streven naar kwaliteitsvolle architectuur in Vlaanderen. Met het VAC wil de Vlaamse Gemeenschap provinciaal ‘herkenbaar’ aanwezig zijn; een kwestie van locatie, inplanting, concept en architectuur. Als ‘stedelijk teken’ in de stadsstructuur van Hasselt voegt het gebouw, door de parallelle opstelling van de 2 kantoorvolumes, een publieke route toe aan de openbare ruimte. De overdekte binnenstraat staat symbool voor de openheid van de Vlaamse Administratie, toegankelijk voor de bevolking. Aan weerszijden bevinden zich gelijkvloers de publieke functies, onthaal, cafetaria en restaurant, bibliotheek en auditorium. Op de verdiepingen werken de verschillende diensten in open landscaping. Met behulp van de vrije overspanning van 12 m worden grote aanpasbare ruimten gecreëerd.

Bij de materialisatie is evenveel zorg besteed aan wat als overbodig kon worden weggelaten dan aan wat wél gebouwd werd. Zo zijn bijvoorbeeld de oranjerode gevelstenen op elkaar gelijmd tot een monoliet, naadloos weefsel, gedragen door roestvrijstalen profielen: stalen profielen die ook gebruikt worden om de glasstructuren te dragen of als afdekking van muren. De constructie is teruggebracht tot modulaire, geprefabriceerde elementen.

Door een intense samenwerking met andere disciplines is een geïntegreerd ontwerp gemaakt. 

Zo werd afgestapt van een algemene airconditioning. Voor de koeling werd een methode ontwikkeld die gebruik maakt van de warmtecapaciteit van de constructieve onderdelen van het gebouw, de holle welfsels nodig om de vrije ruimten van 12 m te overspannen. In de verbrede spouw van de gevels is een netwerk van luchtkanalen opgenomen dat ’s nachts koude lucht door de holtes van de vloeren stuwt. De massa straalt overdag deze koelte uit. De ventilatie wordt geregeld via opengaande ramen welke mechanisch dan wel individueel kunnen geopend worden.

Om het daglicht zo diep mogelijk in de ruimte te brengen reiken de ramen zo hoog mogelijk tegen het plafond. In de kozijnen zijn horizontale glasschermen bevestigd die het invallend zonlicht op het witgeverfd plafond en zo terug, maar dieper de ruimte in reflecteren. Bij een teveel aan zonlicht schakelt de automatische, evenwel ook per afzonderlijk raam bedienbare, zonwering in. Het geheel wordt, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden, via detectoren gestuurd. Nergens gaat onnodig energie verloren.

Door het rigoureus gebruik van materiaal in alle details van het gebouw ontstaat een bijzondere sfeer van rust, eenvoud, degelijkheid, van duurzaamheid.