104

Woning Van Roosmalen

Antwerpen
Opdrachtgever: 
Dhr. Van Roosmalen
Projectarchitect: 
bOb Van Reeth
Projectteam: 
Geert Driesen, bOb Van Reeth, Marc Van Bortel, Chris Poulissen, Wim Rooze.
Periode: 
1985-1986 (ontwerp), 1986-1988 (uitvoering)
Functies: 
wonen
Programma: 
Kadewoning met 2 duplexappartementen boven een garageplint met inkom.

Het gebouw doet zich op royale wijze tegoed aan zijn ligging langsheen de Schelde. Terwijl het vroegere pand dat zich op dit perceel bevond « niet meer dan » een hoekhuis was, neemt het nieuwe gebouw de nabijheid van water, land en lucht in zich op: behalve de groeiende openheid naar boven toe is er onder meer de witte hoektoren die een scharnier vormt tussen straat en kaai en een soort lichtbaken plaatst op de rand van Antwerpen en Schelde.

Zijn bemiddelende rol tussen water en land dankt het gebouw ook aan zijn beschildering-in-stroken: het woningproject van Adolf Loos voor Josephine Baker interfereert op pakkende wijze met de maritieme wereld van schepen, strandconstructies en –cabines. De zwart-witte hardheid doorbreekt – zonder een correctie te willen zijn – de grauwe gevelrij langsheen de kaaien en laat de kaaien nog aan betekenis winnen.

De hypnotiserende horizontaliteit wordt bedwongen en omkaderd door de verticalen van de trappenkokers. Het monochrome van de kokers evenals hun welving uit de gevelvlakken zijn een meesterlijke aanduiding van de elementaire opbouw van het project: een eenvoudige opeenstapeling van vloeren die verticaal doorboord en verenigd worden. Deze eenvoud – die zich niet onmiddellijk als eenvoud laat herkennen – is gewild. Conceptueel bestaat het ontwerp in hoofdzaak uit « omhulling », uit buitenwand: de buitenmuren en –trappen vormen de eigenlijke structuur van het gebouw; ze vormen een « systeem van verschillen » met behulp waarvan de plattegronden kunnen worden gerealiseerd: het verschil in plaatsing van de trappen, het verschil in situering en afmeting van de raamopeningen zijn de elementaire ontwerpmiddelen. De vloeren worden daarentegen mogelijk gemaakt; niveauverschillen, perforaties en andere scheidende of verbindende elementen zijn er alleen op het gelijkvloers en dakverdieping. De vloeren zijn ook zo leeg mogelijk: elke vloer is in principe louter « plek », leegte die gevuld wordt naargelang de noodzakelijkheden van het woonprogramma.

Auteur: Mil De Kooning